Bijna de helft van de Limburgse startende ondernemers verwacht extra geld nodig te hebben, vooral om de dagelijkse werking van hun zaak te financieren. Dat blijkt uit een nieuwe bevraging van PXL. “Ik heb al een paar keer gedacht: nu komt het niet meer goed.”
Zelfstandig worden, klinkt aantrekkelijk, maar de stap zetten is een ander verhaal. Wat houdt startende ondernemers tegen, en waar lopen ze na de opstart tegenaan? PXL Research ging op zoek naar antwoorden en bevroeg 107 Limburgse starters die maximaal tien jaar actief zijn. Zij zijn vooral te vinden in de dienstensector (69%), gevolgd door de bouw (18%), de handel (9%) en de industrie (5%).
Twijfels
Wat blijkt? Al vóór ze de eerste stap zetten, slaat de twijfel toe. Maar liefst 66 procent van de starters worstelde met onzekerheid voor ze de sprong waagden, bij één op de zes was die twijfel zelfs groot. De boosdoener: de angst om een vast inkomen op te geven en het risico op financiële tegenslag.
Maar eens de knoop doorgehakt, gaat het vaak sneller dan gedacht: 79% van de Limburgse starters kon meteen zijn producten of diensten verkopen. Een kleinere groep (19%) moest eerst nog het aanbod ontwikkelen, testen en een markt zoeken. Internationaal blijft het voorzichtig: 53% houdt het bij de landsgrenzen, 16% wil internationaliseren, en amper 32% is vandaag al actief op de wereldmarkt.
Het zijn zeker niet allemaal groeibedrijven, die Limburgse start-ups. Toch heeft meer dan de helft van de starters de ambitie om de komende drie jaar nog te groeien. Een minderheid verwacht zich aan een stabilisatie of zelfs een (beperkte) afbouw of stopzetting.
Geldnood
Een onrustwekkend cijfer: bijna de helft van de Limburgse starters (47%) verwacht het komende jaar (zeker of waarschijnlijk) extra middelen nodig te hebben. Dat geld is vooral bedoeld voor dagelijkse kosten, marketing en personeel, en minder voor innovatie, digitalisering of internationale groei.
“Dit past binnen een bredere uitdaging”, ziet Olislagers van Voka. “België heeft geen gebrek aan kapitaal, maar slaagt er onvoldoende in om spaargeld, institutionele middelen en risicokapitaal te laten doorstromen naar groei, innovatie en kapitaal.” En de bedragen zijn niet min: 36% zoekt tussen 10.000 en 50.000 euro, 34% mikt op 50.000 tot 250.000 euro. Voor die financiering kijken de meeste starters naar de vertrouwde kanalen: de bank, de winst van de zaak, of de eigen portemonnee. Business angels, crowdfunding of investeringsfondsen blijven opvallend genoeg nog grotendeels buiten beeld van de starters.
Opvallend: jonge Limburgse ondernemers vinden moeilijker toegang tot leningen of extern kapitaal dan hun collega’s elders in Vlaanderen. Voor 19% van hen is dat een probleem, tegenover slechts 7% in de rest van Vlaanderen. “Het is een van de weinige significante verschillen in de resultaten tussen starters in Limburg en in de rest van Vlaanderen. We zien daar niet meteen een verklaring voor”, zegt Ilse Vos van PXL Research.
Bron en meer info: HBVL 24.07.2026